Kamerkoor Musica Sacra

Jubileumconcert t.g.v. het 40-jarig bestaan
Kloosterkerk Den Haag
22 november 2014

Programmatoelichting bij de koorwerken.

Het programma van ons jubileumconcert geeft een goede indruk van het repertoire dat de afgelopen 40 jaar door Kamerkoor Musica Sacra is gezongen. Hoewel muziek uit de Romantiek zeker ook regelmatig wordt uitgevoerd, ligt het accent toch vooral op de muziek uit de vroegbarok en de nieuwe kerkmuziek uit het begin van de 20ste eeuw. Zo is voor dit jubileumconcert aan de ene kant gekozen voor motetten van Monteverdi, Schütz, Schein en Buxtehude en aan de andere kant voor muziek van Pepping. Distler en Reda. Speciaal voor dit jubileum componeerde ondergetekende het feestelijke Laudate Dominum.

Hoewel Claudio Monteverdi één van de belangrijkste vertegenwoordigers werd van de 'nuove musiche', de nieuwe Italiaanse muziek aan het begin van de 17e eeuw, is daarvan in zijn geestelijke werken aanvankelijk nog niet zo veel te merken. Gaat hij in zijn wereldlijke muziek veel verder in het toepassen van de nieuwe stijlmiddelen, in zijn kerkmuziek klinkt zelfs nog de oude volle Venetiaanse klankpracht door van de renaissance van Andrea en Giovanni Gabrieli. In het motet 'Confitebor tibi Domine' (psalm 111) horen we daarnaast al wat meer vrije instrumentatie en enkele zeer virtuoze passages in de solosopraan.

De bundel 'Geistliche Chormusik' liet Heinrich Schütz verschijnen in 1648, het jaar waarin met de vrede van Münster een einde kwam aan de dertigjarige oorlog in Duitsland. Schütz weet als een 'musicus poeticus' de tekst volledig te laten spreken en ieder woord met zijn betekenis tot leven te laten komen. In het motet 'Herr, auf dich traue ich' horen wij bijvoorbeeld in alle partijen een dalende melodische lijn bij 'neige deine Ohren zu mir' en wordt de tekst 'ein Hort dahin ich immer fliehen möge' uitgebeeld met vluchtige achtste noten, bij de herhaling van deze teksten zijn de noten aan het eind van dit motiefje met zestienden noten zelfs nog vluchtiger geworden.

Hoewel de verzamelbundel 'Israelsbrünnlein' van Johann Hermann Schein al verscheen in 1623 en de Geistliche Chormusik van Schütz pas in 1648 zijn de bundels goed met elkaar te vergelijken. Het meest opvallend verschil is dat bij Schein een basso continuo voorschrijft en dat dat bij Schütz aan de uitvoerenden wordt overgelaten. Ook Schein volgt de tekst op de voet, fraai is hoe hij telkens de aandacht weet de leggen op 'allein' bij 'denn Du allein, Herr, hilfest mir'. Beeldend zijn ook de grote dalende lijnen bij 'daß ich sicher wohne', waarbij deze grote lijnen a.h.w. de dakspanten uitbeelden van de 'woning'.

Onder de vele cantates van Buxtehude neemt de cantate 'Der Herr ist mit mir' een opvallende plaats in door de verwerking van wel heel weinig tekst (Psalm 118:6-7) en een zeer uitbundig slotdeel, waarbij het 'Alleluja' boven een 19 maal herhaald grondmotief (Chaconne) feestelijk wordt uitgewerkt. Het is Buxthude op zijn best: onbekommerde muziek, gedragen door groot vakmanschap.

Christoph Kittel, leerling van Heinrich Schütz en organist aan de hofkapel in Dresden, publiceerde in 1657 de 'Zwölf Geistliche Gesänge'. De bedoeling van Kittel was om de eenvoudige 4-stemmige composities van Heinrich Schütz, die zich in de kerkmuzikale praktijk bijzonder hadden bewezen, ruimere verspreiding te geven. Opvallend is de 'tonus peregrinus' die in de eerste 26 maten van 'Ich danke dem Herren' (psalm 111) in lange noten in de sopraanpartij is gelegd. Deze 'tonus' wordt altijd gebruikt bij de Magnificat-antifoon en zo benadrukt Schütz het plechtige en feestelijke karakter van deze psalm.

Siegfried Reda heeft van zowel Ernst Pepping als van Hugo Distler les gehad en heeft uiteindelijk beider invloeden in zijn composities kunnen verwerken. De artistieke, expressieve zeggingskracht van Distler weet Reda te combineren met de nuchtere, polyfone schrijfwijze van Pepping. In beide motetten, uit de 'Chormusik für das Jahr der Kirche' wisselen verstilde homofone passages zich af met streng opgezette fuga's.

Het motet 'Ich wollt daß ich daheime wär' van Hugo Distler is genomen uit de bundel 'Geistliche Chormusik'. Met deze titel geeft Distler al aan op hetzelfde spoor te willen zitten als Heinrich Schütz in 1648. Ook hier geeft de muziek een volledige uitbeelding van de tekst (Heinrich von Laufenberg, 1430). Opvallend zijn daarbij enkele instrumentaal gedachte virtuoze passages in de sopraanpartij.

Ernst Pepping componeerde evenveel wereldlijke als geestelijke muziek. Zo schreef hij naast vocale ook veel instrumentale werken, waaronder drie symfonieën, een Pianoconcert en 'Zwei Orchesterstücke'. Zijn Deutsche Messe 'Kyrie Gott Vater in Ewigkeit' componeerde hij in 1938. Pepping heeft zich nooit willen laten beïnvloeden door zijn omgeving en heeft dan ook nooit meegedaan met de min of meer kortstondige experimenten van de twaalftoonstechniek, de aleatoriek (toevalsmuziek) en de elektronische muziek. Hij is zijn objectieve, vanuit het contrapunt gedachte componeerwijze altijd trouw gebleven en liet zich daarbij vooral inspireren door de meesters van het contrapunt van de 16e en 17e eeuw.

Met 'Laudate Dominum' klinkt de kortste psalm uit het gehele Psalter. Kort, krachtig en speels komt psalm 117 in deze compositie tot leven. Bijzonder is de plaats van de doxologie (Eer aan de Vader etc.), waarmee alle psalmen traditiegetrouw afsluiten. In deze compositie heeft de doxologie (gezongen door de solosopraan) de functie en de plaats gekregen van de antifoon, waarmee iedere psalm altijd wordt omkaderd. Daarnaast voegt de solosopraan zich ook in de tekst van de psalm die door het koor wordt gezongen, op die momenten ontstaat tussen solist en koor een bescheiden 'dubbelkorigheid'.

Hans Jansen