Kroniek 30 jaar Kamerkoor Musica Sacra

Een kroniek over 30 jaar Kamerkoor Musica Sacra blijkt goed onderverdeeld te kunnen worden in zeven periodes, waarbij telkens een belangrijk hoogtepunt zowel afsluiting van een periode is als een stimulans voor de tijd daarna.

1974-1977 aanloopperiode
1977-1981 kleine concerten
1981-1985 grotere concerten, ook buiten Den Haag
1985-1991 bredere erkenning / radio-opnamen
1991-1994 vorming van vereniging: Bethel Kleinkoor wordt Kamerkoor Musica Sacra
1994-2000 heroriëntatie, wisseling van bezetting, samenwerking met andere koren
2000-heden doorgroei

Aanloopperiode (1974-1977)

Met enkele goede zangvrienden van het reeds anderhalf jaar daarvoor opgerichte Bethelkapelkoor en van het Kleinkoor van de Adventkerk o.l.v. Teun Groen, waar ik vanaf 1972 als bas meezong, werden op 27 september 1974 in het Jeugdhuis naast de Bethelkapel in de Thomas Schwenckestraat in Den Haag de eerste eenvoudige motetten gezongen. Zo klonken in een bezetting van 2-2-2-1 als allereerste mijn eigen psalmbewerking van psalm 139, 'Aus tiefer Not' van Benedict Ducis en 'Ein feste Burg ist unser Gott' van Johann Kugelmann. In de loop van de eerste maanden konden tevens mijn contrapuntoefeningen voor het Conservatorium in de praktijk getoetst worden en zo was het koor in die eerste periode voor mij een uitstekende proefpolder voor mijn studie compositie en daarnaast tevens een goed oefenkoor voor mijn studie koordirectie. Het nieuwe Liedboek voor Kerken (1973) was zojuist verschenen en dit gaf een enorme stimulans aan het kerkmuzikale leven in Nederland. Zo zongen wij als één van de eersten de nieuwe Evangeliemotetten van Willem Vogel. De tijd was rijp voor een nieuw kerkmuzikaal elan.
In maart 1975 traden wij tijdens een radio-ziekendienst in Rotterdam voor het eerst als Bethel Kleinkoor naar buiten en werd tot najaar 1977 verder meegewerkt aan enkele kerkdiensten en zangavonden in de Bethelkapel, waar ik sinds 1973 cantor-organist was. Het koor groeide in deze periode gestaag en had met 4-4-2-3 uiteindelijk een bezetting waarmee ook eenvoudige koorconcerten konden worden gegeven. Aanvankelijk eerst nog samen met andere koren, maar na enkele geslaagde concerten ook geheel zelfstandig.

naar begin

Kleine concerten (1977-1981)


Op 23 oktober 1977 gaven wij samen met het Vocaal Ensemble Diapason Delft o.l.v. studiegenote Yolán Trabsky en organist Lieuwe de Jong ons eerste officiële concert in de toenmalige Johanneskapel. Wij maakten affiches, strooibiljetten, persberichten en verstuurden persoonlijke uitnodigingen. Zo'n 60 mensen luisterden geboeid naar o.a. 'Purge me, o Lord' (Thomas Tallis), Evangeliemotet over Johannes 16:7 (Willem Vogel), Abendlied eines Reisenden (Hugo Distler) en het 'Vater unser' van Heinrich Schütz. Samen met het Delftse koor zongen wij de dubbelkorige psalm 6 'Ach Herr, straf mich nicht' (Heinrich Schütz). Dit zeer geslaagde concert gaf een enorme impuls aan het koor en niet in het minst aan mijzelf persoonlijk en reeds een half jaar later zongen wij in dezelfde Johanneskapel met opnieuw het koor 'Diapason' een volkomen nieuw programma waarvan de motetten 'Es ist erschienen' (Schütz) en 'Ich hebe meine Augen auf' (Willy Burkhard) de meest uitdagende waren.

In deze periode werd de lat direct nog hoger gelegd en voerden wij op 25 maart 1979 in de Johanneskapel o.a. het 5-stemmige motet 'Die mit Tränen säen' van Heinrich Schütz en het zeker niet eenvoudige 5-motet 'Jesu meine Freude' van J.S. Bach uit. Ook klonk toen één van mijn eerste eigen evangeliemotetten ('De verzoeking in de woestijn'). In 1979 en 1980 werkten wij mee aan concerten in Nieuw-Vennep en Hardinxveld waar ik in deze jaren de leiding had over twee grote oratoriumverenigingen. O.a. het dubbelkorige motet 'Jauchzet dem Herren alle Welt' van Schütz kwam beide keren fraai tot klinken. Het voorlopige hoogtepunt diende zich aan in juli 1979 toen wij door het plotseling wegvallen van het Utrechts Motetgezelschap van Willem Mudde in de Lutherse Kerk in Den Haag een concert gaven met organist Ewald Kooiman. Met jeugdige overmoed werd in 7 weken het veeleisende motet 'Jesus und Nikodemus' van Ernst Pepping ingestudeerd en bovendien ook nog verrassend goed uitgevoerd! Dat de recensent helaas niet zoveel op had met deze muziek doet niets af aan onze prestatie op dat moment!
Onverdroten gingen wij door en voerden alweer in het najaar van 1979 het niet eenvoudige motet 'Aus tiefer Not' van Felix Mendelssohn-Bartholdy uit. In deze periode werkten wij nog één keer mee aan de radio-ziekendienst en gaven vijf keer acte de présence op zangavonden en zes keer in kerkdiensten. In maart 1980 voerden wij voor het eerst een Johannes Passion (Willem Vogel) uit.

naar begin

Grotere concerten (1981-1985)

Met een ambitieus programma zetten wij op 19 juni 1981 opnieuw een grote stap vooruit. Er was gekozen voor een fraaie concertlocatie (Abdijkerk in Loosduinen), organist Dick Troost werkte mee en meer nog dan daarvoor werd een uitgebreide PR-campagne opgezet. We zongen o.a. 'Remember not, Lord' (Purcell), 'Tristis est anima mea (Kuhnau), 'O Herr, ich bin dein Knecht' (Schein), 'Es ist erschienen' (Schütz) en als moderne Duitse kerkmuziek 'Wie sind die Helden gefallen' (Pepping) en 'Jesus heilt einen Gelähmten' (Strohbach). De waardering was zeer groot en vanaf dat moment was het Bethel Kleinkoor niet meer weg te denken uit de Haagse koorwereld. Bij het doorbladeren van de repetitieschema's en 'koorbrieven' viel mij op dat ik reeds in 1982 het koor attent maakte op het 'Jaar van de muziek 1985', waarin naast Bach en Händel ook veel aandacht ingeruimd zou worden voor de in 1585 geboren Heinrich Schütz. Zo werd het Schützconcert in juni 1985 het onbetwiste hoogtepunt van het koor tot op dat moment. Gestaag werd in deze jaren bewust naar een nog hoger niveau toegewerkt. De bezetting groeide door tot 7-6-4-4 en zo werd het mogelijk om zelfs zonder hulp van buitenaf dubbelkorige werken uit te voeren. Vanaf deze periode gingen wij ook het land in en zongen in 1982 in Kethel, Wageningen, Apeldoorn en Brummen.

Door mijn aanstelling als cantor van de Kloosterkerk in september 1982 dienden zich voor ons koor nieuwe mogelijkheden aan in de fraaie Gotische kerk aan het Lange Voorhout. Reeds in augustus 1982 zongen wij daar tijdens de drukbezochte Kerkepad-zaterdagen van de NCRV en in maart 1983 gaven wij een concert met o.a. Bach's motet 'Jesu meine Freude' en 'Führwahr, er trug unsere Krankheit' van Hugo Distler.

In 1984 werd de lat opnieuw hoger gelegd en werkten wij intensief toe naar de uitvoering van de Musikalische Exequien van Heinrich Schütz en het motet 'Der Geist hilft unsere Schwachheit auf' van Bach in de Abdijkerk in juni van dat jaar. Op 24 november vierden wij het 10-jarig bestaan van het kleinkoor met een feestelijk concert in de Bethelkapel. Begonnen werd met enkele motetten van (letterlijk) het eerste uur: psalm 139 (Jansen), 'Purge me, o Lord' (Tallis), Agnus Dei (Hassler) en 'Jubilate Deo' (Lasso). Daarna werd een doorsnede gegeven van ons repertoire met als hoogtepunt de canon voor dubbelkoor 'Laudate Dominum' van Siegfried Strohbach.

In maart 1985 werd meegewerkt aan een grootschalig opgezette kerkmuziekavond in de Kloosterkerk en in juni van het 'Jaar van de muziek' gaven wij dan ons gedenkwaardige Schütz-concert in de Lutherse Kerk in Den Haag. Bij het samenstellen van de jubileum-CD was het niet eenvoudig om een keuze te maken uit de diverse hoogtepunten van deze avond! Opvallend is om te horen hoe hetzelfde stuk (in dit geval het 'Deutsches Magnificat' van Schütz) anderhalf jaar later voor de NCRV-radio werd opgenomen en dan heel anders tot klinken komt. Hoor je bij de 'life' opname de spontaniteit van het moment en de wisselwerking tussen koor en publiek, in de lege, tot studio omgebouwde Abdijkerk was het veel moeilijker om naast de technische perfectie ook nog een zeker muzikaal plezier te realiseren.
In het najaar van 1985 werkten wij toe naar twee bijzondere momenten: in september een klein feestje ter gelegenheid van mijn 12½ jubileum als cantor-organist van de Bethelkapel en in oktober het 'Mudde-concert' in de Haagse Lutherse Kerk. Dr. Willem Mudde was een jaar daarvoor overleden en van al mijn leraren en inspiratoren is Willem Mudde voor mij zonder twijfel de belangrijkste geweest. Zijn omgang met de kerkmuziek kenmerkte zich door een grote mate van ernst en integriteit en daarnaast door een haast onovertroffen gevoel voor humor. Via het Bethel Kleinkoor heb ik veel van zijn inzichten kunnen doorgeven. Dit Mudde-concert werd het meest veeleisende programma dat wij tot dan hadden uitgevoerd: het zesstemmige 'Selig sind die Toten ... und ihre Werke folgen ihnen nach' (Schütz), 'Jesus heilt einen Gelähmten' (Strohbach), 'Jesus und Nikodemus' (Pepping) en het wel 'onzingbaar' genoemde introïtusmotet 'Zingt de Heer een nieuw lied' van Willem Mudde.

naar begin

Bredere erkenning / radio-opnamen (1985-1991)

Na de verrassende groei in de periode 1981-1985 kenmerkte de periode 1985-1991 zich aan de ene kant door een zekere stabilisatie en aan de andere kant door een groeiende erkenning die duidelijk bleek door verschillende uitnodigingen bij landelijke festiviteiten en een reeks van radio-opnamen.
In juni gaven 1986 gaven wij een concert in de ons inmiddels zeer vertrouwde Abdijkerk in Loosduinen en in oktober werd meegewerkt aan het afscheid van Juul Ouwehand, cantor-organist van de Pauluskerk. Deze kerkmusicus had een belangrijk aandeel gehad bij de totstandkoming van het Liedboek voor Kerken. In december volgde nog een Adventsconcert in de Kloosterkerk. De eerste radio-opname in maart 1987 kwam als broodnodige uitdaging eigenlijk precies op het goede moment. De eerste stormachtige fase lag achter ons, de 'Entdeckerfreude' werd wat minder vaak ervaren en duidelijk werd dat het veel gemakkelijker is om op een hoog niveau te komen dan om daar te blijven! Deze radio-opname lukte en gaf het koor op het juiste moment weer een krachtige impuls.
In juni 1987 gaven wij een goed concert in de Lutherse Kerk in Woerden en op 11 oktober van dat jaar verzorgde het Bethel Kleinkoor de aftrap van de serie 'Kerkmuziek in de Kloosterkerk'. In 1988 dienden zich nieuwe uitdagingen aan: op 1 april gaven wij in de Kloosterkerk een uitvoering van de zesstemmige Johannes Passion van Christoph Demantius en het passiemotet 'Führwahr er trug unsere Krankheit' van Hugo Distler.
In Gouda waagden wij het om Peppings weerbarstige motet 'Wunderlich Ding hat sich ergangen' uit te voeren (juni) en in september hadden wij de eer om te zingen bij de presentatie van het eerste boek in de publicatiereeks 'Kerkmuziek en Liturgie' in het Utrechts Conservatorium. Leuk is het om op het programmablad te zien dat organist Jan Hage (vanaf 1995 onze vaste begeleider) als jong 'student orgel en kerkmuziek' was uitverkoren om bij deze gelegenheid de technisch zeer moeilijke 'Sequens' van Jan Welmers uit te voeren. In november 1988 verzorgden wij onze tweede radio-opname voor het programma 'Te Deum laudamus', terwijl wij in februari van dat jaar voor de eerste keer onze medewerking verleenden aan het programma 'Woord op zondag' (met eenvoudige psalm- en liedzettingen). Voor dit programma zullen wij de jaren door regelmatig gevraagd blijven worden.
In de Dorpskerk in Kethel is zojuist de serie 'Avondmuziek' van start gegaan en zingen wij in februari 1989 daar ons eerste concert. Vrijwel jaarlijks zullen wij in dit sfeervolle kerkje acte de présence gaan geven. Ondertussen hadden wij (als nieuwe uitdaging) de studie ter hand genomen van het indringende en niet eenvoudige Requiem van Herbert Howells. In mei 1990 was de première in de Lutherse Kerk in Woerden en nadat wij hetzelfde programma in november van dat jaar ook nog een keer hadden uitgevoerd in de Haags Noorderkerk waren wij er klaar voor om dit Requiem in maart 1991 voor de radio op te nemen. Dan heten wij inmiddels Kamerkoor Musica Sacra en hielden wij na een aantal voorbereidende besprekingen op 30 november 1990 onze officiële oprichtingsvergadering.

naar begin

Koor wordt vereniging / nieuwe naam / doorgroei en stagnatie (1991-1994)


Na 16 jaar min of meer 'ongeorganiseerd' door het leven te zijn gegaan was in de loop van 1990 het inzicht gegroeid dat het verstandig zou zijn om van het koor een vereniging te maken. Het was een belangrijk moment omdat iedereen begreep dat wij, nog meer dan in het verleden, aandacht wilden besteden aan de kwaliteit van het koor. Wij konden ons intussen meten met de beste kamerkoren (zeker in Den Haag), maar stilstand werd terecht ervaren als een zekere achteruitgang. Met behoud van de immer ontspannen en gezellige sfeer wilden wij bewust het koor kwalitatief verder laten doorgroeien. Door de nu loskomende subsidie waren wij in de gelegenheid om ook concerten te geven met instrumentale begeleiding en kon ik, na 16 jaar volkomen onbezoldigd het koor te hebben geleid, een financiële vergoeding ontvangen. Vanaf dit moment zijn er agenda's en notulen, secretariële en financiële jaarverslagen, begrotingen en lidmaatschappen (van o.a. de Kamer van Koophandel, Koninklijke Christelijke Zangersbond en Haags Federatie van Zangkoren).
Zo kunnen wij in het verslag van de eerste ledenvergadering op 25 januari 1991 zien dat het niet veel gescheeld heeft of het koor had een andere naam gehad! Voor de aardigheid laten wij hier nog eens de uitkomst van de stemming zien, waarbij iedereen een aantal punten (1 t/m 5) kon geven aan de voorgedragen namen:

Haags Schütz Koor - 7 punten
Haags Kerkmuziek Koor - 20 punten
Bethel Kleinkoor - 24 punten
Haags Motet Ensemble - 26 punten
Kamerkoor Musica Sacra - 30 punten

Het lijkt mij minder interessant en relevant de inhoud van al deze bestuursstukken ook maar verkort hier weer te geven. Goed is het om te zien dat wij de vereniging nooit als een 'doel op zich' zijn gaan beschouwen en ons hebben verlaagd tot een discussieclub. De statuten waren in enkele weken geschreven en op een enkele uitzondering na is daar nooit meer wat aan versleuteld. De muziek bleef centraal staan en meestal lukte het om de tweejaarlijkse ledenvergaderingen voor de pauze af te sluiten. Als er een enkele keer wat op te lossen viel, geschiedde dat altijd in goed overleg en in volledige openheid. Het bestuurlijke gebeuren werd zo eerder een bevestiging van de goede onderlinge verhoudingen dan dat het een druk legde op de sfeer van het koor.
Een 'weemoedig moment' werd vrijdagavond 22 februari 1991, toen wij voor de laatste keer repeteerden in het 'Jeugdhuis naast Bethel'. Hier was begin 1973 het Bethelkapelkoor (later Bethelcantorij) ontstaan en hier hadden wij in september 1974 het Bethel Kleinkoor opgericht. Door mijn aanstelling als cantor-organist van de Lutherse Kerk in Schiedam (1987) en mijn eerdere aanstelling in de Kloosterkerk (1982) was iedere zakelijke relatie met de Bethelkapel ondertussen verbroken. Wij besloten om onze repetities voortaan te houden in de veel ruimere 'kerkzaal' van de Kloosterkerk en nemen daar onze intrek op 1 maart 1991.

De muzikale ontwikkeling had zich intussen onverdroten doorgezet en steeds vaker werden wij door derden uitgenodigd. Zo zongen wij voor het eerst onder onze nieuwe naam tijdens de jaarlijkse landelijke studiedag van de Prof. van de Leeuw-stichting, het Centrum voor de Kerkzang en de Lutherse Werkgroep voor Kerkmuziek in de Lutherse Kerk in Arnhem (13 april 1991) en hadden op deze dag een belangrijke bijdrage aan het thema 'Hymnen'. Nadat wij dus onder onze nieuwe naam eerder reeds het Requiem van Herbert Howells voor de radio hadden opgenomen en ons in Arnhem landelijk hadden gepresenteerd, gaven wij eind juni ook in Den Haag nog een officieel presentatieconcert. Het eerste seizoen als vereniging werd direct één van de drukste: liefst 11 keer zongen wij binnen en buiten Den Haag. Een kleine greep: Oudshoornse Kerk in Alphen aan de Rijn (zie Jubileum-CD), Doopsgezinde Kerk aan de Paleisstraat (sfeervol koffieconcert), (oude) Zorgvliekerk in Den Haag (Musikalische Exequien). Op Goede Vrijdag 1992 voerden wij opnieuw een Johannes Passion uit, nu de zeker niet eenvoudige Johannes Passion van Leonhard Lechner (1592), één van de oudste geheel voor koor geschreven passies. In juni 1992 zongen wij voor het eerst samen met het Haags Kleinkoor. Ik voelde het als een voorrecht twee evenwaardige kamerkoren te leiden en zag mogelijkheden om de grotere dubbelkorige werken van Praetorius, Schütz en Bach met eigen mensen volledig verantwoord uit te voeren. Hoogtepunt in deze ontwikkeling werd de fraaie uitvoering van Bach's dubbelkorige motet 'Singet dem Herrn' bij ons 25-jarig jubileum in november 1999.

Geleidelijk aan was er ondertussen een zekere verzadiging opgetreden t.a.v. de oude en de moderne Duitse kerkmuziek. Het Requiem van Howells en het 'Te Deum' van Benjamin Britten waren in 1990/1991 welkome afwisselingen geweest en bewust ging ik op zoek naar 'vergelijkbare andere goede muziek'. 'O Lord, Thou hast searched me out' (Psalm 139) van Robert Walker, 'Let all mortal Flesh be silent' van Edward Bairstow en 'A prayer for peace' van David Lord werden graag gezongen en maakten telkens veel indruk op het publiek. Middenin de periode dat wij intensief spraken over identiteit en koers van het koor diende zich een nieuwe uitdaging aan in de vorm van een Fringeconcert tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht (september 1993). Groot was de verrassing toen direct na ons inzingen veel bezoekers (meer dan drie kwartier voor aanvang van het concert!) de kerk binnenstormden. Zoveel hartverwarmend enthousiasme en zoveel spontaniteit is kenmerkend voor goed opgezette festivals en hoezeer de wisselwerking tussen koor en publiek van belang is bleek wel bij dit bijzondere optreden in de Sint Gertrudiskerk. De staande ovaties en het liefst drie keer terugkeren voor het applaus (+ toegift) gaf aan hoe goed ons optreden was geslaagd.
Het jaar 1994 werd een jaar van de lach en de traan. Zeer verdrietig waren wij bij het overlijden van één van onze alten Ada den Hertog. Op 26 januari 1994 waren wij allemaal aanwezig tijdens de uitvaartdienst in de Abdijkerk in Loosduinen en zongen o.a. het motet 'Herr, nun lässest du deinen Diener in Frieden fahren' van Felix Mendelssohn-Bartholdy. Een letterlijk zeer kille ervaring hadden wij op 13 februari 1994 toen wij bij een binnentemperatuur van rond (onder?) het vriespunt meewerkten aan een Vesper in de Kathedrale Basiliek in Haarlem. Ik zie nog de antependia lichtjes bewegen in de ijskoude tocht die door de kerk trok en zelfs nu nog voel ik de kou die door een dikke winterjas heenging. In maart zongen wij in de nieuw gebouwde Zorgvlietkerk aan de Mauritslaan en in juni gaven wij in de Dorpskerk in Kethel een 'voorbereidingsconcert' voor ons (20-jarig) jubileumconcert in november. Deze maanden bleken voor ons koor niet de gemakkelijkste te zijn. Eindelijk hadden wij weer een volwaardige tenorbezetting van zelfs enige tijd 6 tenoren (!), maar de aanpassing en de inpassing van deze nieuwe zangers lukte niet goed. Het tempo tijdens de repetities daalde mede daardoor tot onder een werkbare grens en dat alles in een periode dat enkele leden juist te kennen hadden gegeven te willen werken aan een verdere uitbouw van kwaliteit. Ons jubileumconcert op 26 november werd zo helaas een concert met gemengde gevoelens. Vier leden hadden intussen aangegeven het koor na het jubileumconcert te verlaten, enkele anderen twijfelden nog. Een paar vaste krachten waren wegens ziekte niet in staat om mee te zingen en zo mag het een wonder heten dat wij uiteindelijk de avond heel feestelijk konden afsluiten met het bijzonder overtuigend uitgevoerde 'Confitebor tibi, Domine', dat ik speciaal voor deze gelegenheid had gecomponeerd.

naar begin

Heroriëntatie / wisseling van bezetting / samenwerking met andere koren (1994-2000)

Aan het eind van bewogen jaar 1994 besloten wij om met de nieuwe koorbezetting een positieve herstart te maken, bewust in te steken op een ietwat lager muzikaal-technisch niveau en mede daardoor het plezier van het zingen weer terug zien te vinden. Deze opzet lukte zeer snel en wonderwel werden bovendien de opengevallen plaatsen binnen enkele maanden door nieuwe enthousiaste (goede) zangers ingenomen. Op 26 februari 1995 zongen wij voor de eerste keer in de nieuwe samenstelling in de Dorpskerk in Kethel en in juni verzorgden wij samen met het Haags Kleinkoor een concert in de Abdijkerk. Wij oogsten veel waardering voor dit concert, met name voor de uitvoering van het romantische motet 'Hvad est du dog skjön' van Edward Grieg en de dubbelkorige motetten 'Ich lasse dich nicht' van Johann Christoph Bach en 'Ich hebe meine Augen auf' van Heinrich Schütz.
Wij sloten het overgangsjaar 1995 af met geslaagde concerten in de Zorgvlietkerk in Den Haag en de Lutherse Kerk in Woerden. In 1996 zette de positieve ontwikkeling gestaag door en namen wij een uitstapje naar de Katholieke romantische kerkmuziek met de Mis in f moll van Josef Gabriel Rheinberger. Wij voerden deze Mis uit in de Doopsgezinde Kerk en in de Zorgvlietkerk, waar wij samen met het Haags Kleinkoor verder o.a. de dubbelkorige psalm 23 (Der Herr ist mein Hirt) uitvoerden. Het jaar werd afgesloten met een concert in de Lutherse Kerk in Delft.
Het jaar 1997 stond geheel in het teken van mijn 25-jarig jubileum als kerkmusicus. Opnieuw werkten de verschillende koren veel met elkaar samen. Op de CD 'Confitebor tibi Domine' zijn alle koren gezamenlijk te beluisteren in Schütz' 'Komm Heiliger Geist, Herre Gott' (waarvan het 'solo-gedeelte' door Kamerkoor Musica Sacra wordt gezongen) en in het intussen zeer populair geworden 'Confitebor tibi Domine'. Ons koor bewijst op deze CD met de fraaie uitvoering van 'Jesus und Nikodemus' van Ernst Pepping weer helemaal terug te zijn op haar oude niveau.
Op 29 november worden alle koren in de Kloosterkerk opnieuw gezamenlijk ingezet bij de première van mijn Psalmendrieluik, dat ik speciaal ter gelegenheid van mijn 25-jarig jubileum had gecomponeerd.
In 1998 brachten wij een 'Maria-programma' in de Kloosterkerk (16 mei) en in de Grote of Sint Nikolaaskerk in Brouwershaven (20 juni) en in oktober werd in een stampvolle Dorpskerk in Kethel het heugelijke feit herdacht dat de serie Avondmuziek 10 jaar geleden was gestart en zongen wij samen met het Voorburgs Vocaal Ensemble het motet 'Singet dem Herren' van Heinrich Schütz en de 'Fest- und Gedenksprüche' van Johannes Brahms.
In 1999 voerden wij tijdens een Passieconcert in de Kloosterkerk op de avond van Goede Vrijdag mijn Passievierluik uit, dat een jaar later zou dienen als geraamte voor de verder voor solo, koor en instrumenten gecomponeerde Johannes Passion. In augustus 1999 gooiden wij weer hoge ogen tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht en in november van dat jaar werd samen met het Haags Kleinkoor, het Haags Kerkmuziek Ensemble en het Luthers Projectkoor in een volle Haagse Lutherse Kerk ons 25-jarig koorjubileum gevierd. Op de CD van dit concert is ons koor te horen als een ensemble dat niet alleen technisch goed bezig is, maar meer nog dan in het verleden een vollere en meer volwassen klank heeft gekregen. Het lijkt of de diepere lagen van de muziek meer dan in de periode daarvoor tot leven worden gebracht.

naar begin

Doorgroei (2000-heden)


De laatste periode is eigenlijk het moeilijkste om te beschrijven. Het schrijven van een kroniek vereist een zekere afstand in tijd en zolang het heden nog voor een deel vastzit aan het verleden is dat een gewaagde onderneming. Wellicht dat deze periode later herschreven zal moeten worden, voorlopig doe ik onderstaande poging!

Het jaar 2000 wordt waarschijnlijk door het magie van het getal ook voor ons koor een heel bijzonder jaar. Mijn Johannes Passion gaat in de Dorpskerk in Kethel en in de Kloosterkerk 'met veel succes' in première en in mei worden mijn koren nog één keer bij elkaar geroepen als mijn Psalmendrieluik in de Sint Willibrorduskerk in Wassenaar op CD wordt gezet. Een hevige storm maakte het opnemen aanvankelijk geheel onmogelijk; door het urenlange uitstel en de onrust die dat met zich meebracht viel het niet mee om op ons gebruikelijke niveau te musiceren. Het is eigenlijk een klein wonder hoe de muziek uiteindelijk op deze CD is vastgelegd!
In juni zingen wij met organist Bas de Vroome de 'Kleine Orgelmis' van J.S. Bach in de Nieuwe Kerk in Delft, terwijl wij enkele dagen daarvoor reeds een 'try out' hadden gehad in de Doopsgezinde Kerk. Na de zomervakantie vermannen wij ons op de Haags Uitmarkt en zingen op een groot, koud en winderig podium om ons te 'presenteren voor een breed publiek' en om tevergeefs nieuwe leden te werven.
Op 23 september werken wij in de Kloosterkerk mee aan de presentatie van de CD met eigen werken, waaronder mijn Psalmendrieluik. Hoewel wij nog één keer Bach's motet 'Singet dem Herrn' met veel verve gezamenlijk uitvoeren is dit voorlopig de laatste keer dat mijn kamerkoren hebben samengewerkt. Door de veelvuldige gezamenlijke projecten was bij ieder koor het gevoel ontstaan dat de ontwikkeling van het eigen koor onder druk was komen te staan. Later is gebleken dat het een goede beslissing is geweest om de eigen ontwikkelingsgang van ieder koor weer de ruimte te geven, vooral Kamerkoor Musica Sacra en het Haags Kleinkoor hebben daar baat bij gehad.
Met Kerstmis 2000 geven wij ons eerste Kerstconcert in de Lutherse Kerk in Den Haag. Als wij in februari 2001 ook voor het eerst een concert verzorgen in de Gotische Zaal van de Raad van State en als wij in de Stille Week opnieuw mijn Johannes Passion uitvoeren, begeven wij ons gedurende 3 jaar in een vaste jaarcyclus van concerten. Telkens geven wij concerten met een tussentijd van 6 à 7 weken: rond Kerstmis in de Lutherse Kerk, in februari in de Gotische Zaal en eind maart / begin april de Johannes Passion in Kethel en de Kloosterkerk. Vanaf 2002 wordt daar ook nog een jaarlijks optreden in Kethel in september aan toegevoegd.

Om op de begroting de teruglopende gemeentesubsidie te compenseren wordt besloten om daarnaast per jaar ook nog twee concerten te geven in de serie 'Koren zingen voor ouderen'. Fonds 1818 (voorheen VSB Fonds) brengt koren en verzorgingstehuizen bij elkaar en ieder koor ontvangt van dit fonds voor elk optreden een substantieel bedrag. Zo worden wij vanaf 2001 vaste gast in het Carel van den Oeverhuis en Tabitha. Nieuw is ook de medewerking aan de Vesper in de Laurenskerk in Rotterdam.
Zo zingen wij in deze periode dus erg veel met telkens korte voorbereidingsperiodes, maar het lukt ons iedere keer wel degelijk om op korte termijn goede prestaties neer te zetten. Hoogtepunt wordt in 2001 ons optreden in de Dom in het Duitse Altenberg (bij Keulen) en ook zeer geslaagd is het concert in de Grote Kerk in Maassluis, waar wij samen met het Zuidhollands Kamerorkest een programma verzorgen van uitsluitend Nederlandse componisten.

In 2002 springt naast het programma met Romantische kerkmuziek in de Gotische Zaal en de derde uitvoering van mijn Johannes Passion vooral ons optreden tijdens het Sweelinck Festival in Hoorn (8 juni) eruit. Zeer geconcentreerd en gedetailleerd hadden wij de fijnzinnige psalmbewerkingen van Sweelinck ingestudeerd en zo wordt enige maanden later tijdens het tweejaarlijkse Haags Kamerkoren Festival (eind september) dezelfde muziek één van de hoogtepunten van dit Festival.

In 2003 hebben wij goede herinneringen aan het programma met Engelse kerkmuziek dat wij in februari in de Gotische Zaal uitvoeren. Zeer gemengde gevoelens achtervolgen ons als wij aan 15 juni 2003 terugdenken, toen wij in de Grote Kerk in Den Bosch een concert zouden verzorgen. Na in de morgendienst gezongen te hebben hadden wij de verwachting dat ondanks het mooie zomerweer er toch wel enige gemeenteleden ons koor nog een keer zouden willen horen en dat daarnaast toch ook wel enkele losse concertbezoekers zouden aanschuiven. Waarschijnlijk was naast het fraaie weer de zeer gebrekkige PR campagne er de oorzaak van dat zich in het geheel geen enkele bezoeker zich voor ons toch gedegen voorbereid concert meldde. Teleurstelling en een stil verwijt naar de organisatie maakten snel plaats voor een groot gevoel van voldoening toen wij een half uur later in de prachtige Kathedraal Sint Jan van Den Bosch (300 meter verderop) vrijwel volledig ons programma alsnog konden uitvoeren. In het najaar van 2003 zingen wij op zondag 5 oktober in de Vredevorstkerk in Beverwijk (dienst + koffieconcert) en aansluitend in Tabitha en geven wij vlak voor Kerstmis weer ons Kerstconcert.
In februari 2004 verzorgen wij in de Gotische Zaal een programma rond Kurt Thomas (voorgangers en tijdgenoten) en voeren in april voor de vierde keer mijn Johannes Passion uit. Na inmiddels reguliere optredens in het Carel van den Oeverhuis, Laurenskerk en Tabitha maken wij ons op voor ons optreden op 18 september in het Openluchttheater in het Haagse Zuiderpark rond het thema 'Europese madrigalen'. Opnieuw oogsten wij veel waardering tijdens het Haags Kamerkoren Festival eind september in de Waalse Kerk en herhalen dit programma een dag later met evenveel overtuiging tijdens de Avondmuziek in Kethel.

Het nadenken over en het schrijven van deze kroniek begon in deze weken. Al voor de zomervakantie hadden wij enkele stukken van het concertprogramma doorgezongen, waren wij met de leden van de jubileumcommissie al een paar keer bij elkaar geweest en hadden wij de eerste oude opnamen beluisterd die zouden leiden tot onze jubileum-CD. Eigenlijk ongemerkt is de 'verleden tijd' van de kroniek overgegaan in de 'tegenwoordige tijd'. Waar stopt het verleden en waar begint het heden?! Zoals ik al aan het begin van dit hoofdstuk schreef: het is niet gemakkelijk om over deze recente periode te schrijven. Het lijkt een beetje op het beschrijven een fuga die nog niet is voltooid! De motieven van het hoofdthema hebben op dit moment nog steeds voldoende energie in zich om andere ontwikkelingen te inspireren, het contrapunt zorgt nog steeds voor een boeiende veelkleurigheid. Voorlopig zingen wij met veel plezier onverstoorbaar verder, in een goede onderlinge harmonie en in een ontspannen sfeer.
Want: terugkijkend op 30 jaar Kamerkoor Musica Sacra zie ik naast de vele muzikale hoogtepunten vooral de goede onderlinge vriendschappelijke sfeer die al die jaren door ons koor onverminderd heeft gekenmerkt. De muzikale prestaties kwamen daar uit voort en door die gezamenlijke beleefde hoogtepunten werd die goede sfeer alleen nog maar versterkt. Op deze 'positieve wijze' hopen wij nog vele jaren door te kunnen gaan!

Hans Jansen, 31-12-2004

naar begin